De jonge leraar (8)

Nadat hij zijn boeken bij elkaar had geveegd ging George Best op de trap zitten en keek naar de uitgesleten treden.
Hij had een keer gelezen dat de uitholling van een traptrede een perfecte weergave is van een grafiek waarin de gemiddelde mens wordt aangegeven. Hoge curves aan de zijkant, afvlakkend in het midden. Het besef dat zijn brein nog werkte sterkte hem en hij stond op om verder omhoog te lopen. Hij keek op zijn horloge. Nog tien minuten en de les was alweer over. Misschien was het beter, dacht George Best, om helemaal niet meer naar het lokaal te gaan. Beter als een les uitviel, dan een leraar die pas tegen het einde komt aanzetten. De jonge leraar was al bijna gekeerd toen hij bedacht dat het geen kwaad kon eerst het lokaal te vinden waar hij les had moeten geven. Hij liep de gang in die er precies eender uitzag als de gang een verdieping lager. Weer hadden de blinde deuren kleine bordjes in het midden en George boog zich naar de eerste deur om te kijken. Het was geen bordje. Het was een kijkgat. Hoewel er verder geen nummer op de deur stond besloot de jonge leraar toch even te kijken. Misschien kon hij Sophia wel zien les geven. Hij haalde diep adem en boog zich naar het kijkgaatje maar het enige dat hij zag was een oog. Een kinderoog dat hij kende, George had een uitstekend geheugen voor kinderogen. Joris.