
1. Het valt niet mee dit te vertellen.
Omdat ik nog niet weet hoe groot mijn geheim is.
Dat ten eerste.
Omdat een jongen als ik niet in het bezit hoort te zijn van zo’n geheim.
Het heeft iets weeïgs.
Bovendien woon ik in een ijssalon. Daar. Het is gezegd. Ik woon in een ijssalon.
Ze hebben hier goede slagroom.
Slagroom die een dikke laag vet op het gehemelte legt.

2. Een blondine met lang haar en dito benen heeft zich op een barkruk voor het raam gevleid.
Ze drinkt cappuccino, staart naar buiten en pakt met lange nagels een filtersigaret uit een vers pakje.
Ik heb nog nooit zoiets moois gezien.
Ik loer op veilige afstand, want alleen dán kan ik de prachtige ronding van haar billen in het zwarte rokje lichtjes opzij geperst door de barkruk, zien.
Mijn moeder zei laatst dat ik een billenobsessie heb.
Nu weet ik dat ze gelijk had.
Ik voel dat Kobus naast me komt staan en net als zij een sigaret opsteekt.
Ze inhaleren.
Wachten even.
Blazen uit.

3. Wij, de mannelijke clientèle van de ijssalon, zijn de andere diersoort.
Behalve Kobus, want hij is een Blonde God.
Niet praten, laat staan aanraken, dat geldt voor ons, niet voor Kobus, zegt Kobus.
Kobus beweert dat hij laatst met Felicia een heel eind gekomen is.
Hij kijkt er zo trots bij dat ik het heel even geloof.
Zelfs zijn rook kringelt trotser.
Maar dan zie ik de gespierde Italiaans behaarde arm van prachtige Felicia wat cake op een schoteltje kwakken en vraag me af hoe zacht die haren zijn.
Ik kijk naar Kobus en zie dat hij het zich ook afvraagt.

4. Iedere zomer kwam er een nieuwe lading in de ijssalon werken.
Allemaal Italiaans, allemaal uit hetzelfde dorp.
Schuchtere meisjes die oogden als vijftien , maar net zo arrogant bleken als hun strenge tantes.
Nederlands leerden ze nauwelijks, ook niet als ze langer dan een zomer bleven.
Maar dat deden alleen de lelijksten, werken in een ijssalon stond gelijk aan een strafkamp, dat kon je aan ze zien.
De meisjes waren in Italië ongehoorzaam geweest, dat vond ik een opwindende gedachte.
Het waren jonge hindes die ontzagwekkend snel transformeerden.
Soms groeide in slechts één zomer de wenkbrauwstreep dicht, zakten de oogleden, dijde de boezem uit en werd opgebonden met enorme beha’s die door de witte bloesjes schemerden. Zelfs de schattige neusjes werden bobbelige slagroomsoezen.
Uren kon ik naar ze kijken, terwijl ik hun namen met mijn slagroom door mijn mond liet glijden. Felicia, Patricia, Maricia en Alexandra.

5. Met Rosa kwam ik heel vaak in de ijssalon.
Zij hield van de knalgroene pistache die er uit plastic bakken werd geschraapt door de krachtige armen van Mario, Fabrio, Antonio of Federico.
In complete tegenstelling tot de vrouwen van de ijssalon waren de vier mannen die er werkten al jaren hetzelfde.
Het waren broers.
Vier kleine, tonronde mannetjes van middelbare leeftijd, met zwarte snorren die ieder seizoen zwarter werden.
Mario en Fabio maakten het ijs, Antonio (Toni) en Federico (Rico) schepten het uit de bakken. Was je een vrouw, dan kreeg je twee keer zo veel, daar waren alle broers zeer consequent in.

6. Rosa vertelde me een keer dat Rico haar tijdens het scheppen van een onwaarschijnlijk grote groene bol, oneerbare voorstellen had gedaan.
‘Meerdere?’ Ik was om een aantal redenen geschokt. Ten eerste het idee dat dikke Rico vieze woorden als ‘Neuken? Beffen? Pijpen?’ vanonder zijn snor kon hebben geduwd.
Ten tweede had ik altijd gedacht dat de broers vooral avances maakten omdat dat nu eenmaal van Italiaanse mannen werd verwacht. – en dan meer op het niveau van ‘wat heb je mooie ogen cara bella - Dat ze verder hun handen op eigen import hielden.
Ten derde, en ze zou mijn hoofd afbijten als ze het wist, was Rosa nou niet direct een appetijtelijk meisje. Ze had lang bruinzwart kliederhaar, dat in strookjes voor haar pukkelige gezicht en bleke ogen hing. In haar mond zaten wonderlijke vooruitstekende kleine tandjes die geen lekker rijtje wilden vormen en door steeds andere beugels werden bijgewerkt.
‘Maar je bent er niet op ingegaan, toch?’, zei ik me met een luchtig lachje.
‘Misschien’, zei Rosa.

7. Kobus heeft een wrat op zijn wijsvinger waar hij altijd aan pulkt.
Hij kan ook minutieus zijn neus leeghalen, en zijn snot aandachtig bestuderen voor hij het in zijn mond steekt.

8. Rosa vertelde dat Kobus bij het laatste schoolfeest naar haar toe was gelopen.
‘Rosa’ had hij gezegd. En toen ze zich omdraaide kuste hij haar vol op de mond.
‘Je proeft er niets van’, zei hij toen.
‘Van wat’, zei Rosa.
De schoolband maakte net enorm kabaal waardoor Rosa niet hoorde wat Kobus antwoordde.
‘Wat?!’ gilde Rosa, haar mond nog napulserend, zacht rood, half open, klaar voor nog een kus, klaar voor meisjesachtig gegiechel dat ze thuis had geoefend maar nog nooit uit het plastic had gehaald. Had hoeven halen.
‘JE PROEFT NIET DAT JE ZO STOM BENT!’ brulde Kobus, net toen de band inhaleerde en de hele school zweeg omdat ze net een slok van illegale wodka jus d’orange achterover sloegen.
‘Wat?!’ gilde Rosa door een orkaan van proestende meisjes.
‘Wat?!’ alsof ze de enige was die niet de schreeuw vol spuug uit de bek van de blonde cowboy naast haar had horen spetteren.
Háár spuug misschien wel, net nog door zíjn tong van haar binnenwangen geslurpt.
Toen ging ze er vandoor.

9. Rosa probeerde zich die nacht van een brug te werpen hoorde ik later van de leraar. Maar ze bleef hangen aan haar onverwoestbare feestspijkerbroek.
Rosa was het soort meisje dat een onverwoestbare feestspijkerbroek bezat.